BVD - Boviene Virus Diarree

Bovine Virusdiarree is een wereldwijd voorkomende infectie bij rundvee. BVD wordt veroorzaakt door het Boviene Virus Diarree Virus (BVDV) en het behoort samen met het Borderdiseasevirus (BDV) en het Klassieke Varkenspestvirus (KVP) tot de Pestivirussen. Deze virussen vertonen qua eigenschappen grote overeenkomsten. Dit heeft tot gevolg dat overdracht van het BVD-virus tussen varkens, schapen, geiten en runderen mogelijk is.

Landelijke bestrijding

De bestrijding van BVD wordt voor melkveehouders per 1 april 2018 gestimuleerd. De zuivelondernemingen passen hun leveringsvoorwaarden aan. Hierdoor is melk leveren enkel mogelijk indien de melkveehouder deelneemt aan een BVD bestrijdingsprogramma. Voor vleesveebedrijven is deelname aan de bestrijding van BVD vooralsnog op vrijwillige basis. Deelname wordt gestimuleerd door marktwerking en een subsidieregeling. Vanaf 2020 gaat het SBK via de kwaliteitsregeling vitaal kalf eisen dat BVD wordt bestreden in de vleeskalverhouderij.

Voor de aanpak op bedrijfsniveau in het kader van de landelijke BVD-bestrijding kan een bedrijf kiezen uit 4 routes naar de BVD-vrijstatus, namelijk:

  1. BVD-vrij (route intake virus, bewaking jongvee antistoffen): geschikt voor alle rundveebedrijven;
  2. BVD-vrij (route tankmelkonderzoek): geschikt voor bedrijven zonder BVD-antistoffen in de tankmelk;
  3. BVD-vrij (route jongvee antistoffen): geschikt voor bedrijven zonder BVD-antistoffen bij het jongvee;
  4. BVD-vrij (route oorbiopten): geschikt voor alle rundveebedrijven.

Lees ook de veelgestelde vragen!

Al deelnemer vrijwillige bestrijding

Bedrijven met een BVD-vrijstatus volgens de huidige vrijwillige bestrijding kunnen direct instromen in route 1 of route 4 als BVD-vrij. De eisen voor de behoud van de status zijn wel scherper:

  • Bij aanvoer van bedrijven zonder BVD-vrijstatus vindt bij de aangevoerde de dieren onderzoek plaats op zowel het BVD-virus als BVD-antistoffen (alleen bij vrouwelijke dieren ouder dan 1 jaar).
  • Bedrijven die hun BVD-vrijstatus bewaken met onderzoek op nieuwgeboren kalveren moeten (route 4) alle kalveren (dus zowel vaars- als stierkalveren) gaan onderzoeken en dus niet alleen aangehouden kalveren.

Bedrijven die deelnemer zijn aan het vrijwillige programma BVD Tankmelk Onverdacht  en waarvan het laatste tankmelkonderzoek gunstig was, kunnen direct instromen in route 2. Bedrijven krijgen dan de BVD-onverdachtstatus. Historische tankmelkresultaten tellen mee voor de overgang naar BVD-vrij. Omdat aanvoeronderzoek onderdeel uitmaakt van route 2, geldt dat bij de overgang naar BVD-vrij niet eerder onderzochte aangevoerde dieren gedurende het laatste jaar alsnog onderzoek moet plaatsvinden.


Status Betekenis
In onderzoek

Het bedrijf voert de voorgeschreven acties uit  voor het behalen van een onverdachtstatus (routes 2,3,4) of een vrijstatus (route 1).
Onverdacht
Het bedrijf heeft alle voorgeschreven acties uitgevoerd, met het gewenste resultaat, om de onverdachtstatus te behalen volgens één van de routes 2,3 of 4; vervolgens heeft het bedrijf alle voorgeschreven acties om die status te behouden uitgevoerd met het gewenste resultaat.

Vrij

Het bedrijf heeft alle voorgeschreven acties uitgevoerd met het gewenste resultaat, om de vrijstatus te behalen volgens één van de vier routes; vervolgens heeft het bedrijf alle voorgeschreven acties om die status te behouden uitgevoerd met het gewenste resultaat.

Observatie Na bijvoorbeeld een ongunstige laboratoriumuitslag of een aanvoer van een niet-vrij bedrijf kan niet meer met zekerheid worden gezegd dat een bedrijf BVD-vrij of BVD-onverdacht is. Het bedrijf krijgt dan de observatiestatus en er is verificatie nodig om een nieuwe besmetting uit te sluiten. Als het resultaat van de verificatie of de aanvullende actie gunstig is, krijgt het bedrijf de onverdachtstatus of vrijstatus terug; is het resultaat ongunstig, dan vervalt de vrijstatus of onverdachtstatus. Wordt verzuimd de gewenste actie uit te voeren, dan wordt de status 'onbekend'.

Onbekend Het bedrijf neemt deel aan de bestrijding en heeft een vrijstatus, onverdachtstatus, observatiestatus of status in onderzoek, maar verzuimt om de bijbehorende actie tijdig uit te voeren. Of het bedrijf neemt niet deel aan de bestrijding.

Besmet Op het bedrijf is een drager aangetroffen en deze is niet binnen de gestelde termijn afgevoerd; na afvoer krijgt het bedrijf een andere status, afhankelijk van de voorgaande situatie.

BVD virus vrij, aanpak in 4 routes

Wat doet het virus?

Als een koe geïnfecteerd wordt met het virus duurt het 5-7dgn tot er ziekteverschijnselen ontstaan en de koe zelf (kortstondig) virus gaat uitscheiden. Of een koe ziekteverschijnselen gaat vertonen is afhankelijk van het al dan

niet aanwezig zijn van antistoffen tegen BVD. Dit kunnen antistoffen zijn die via biest zijn opgenomen of na vaccinatie of veldinfectie zijn aangemaakt. Infectie van niet-immune, niet-drachtige dieren van alle leeftijden (meest 6-24mnd) kan door opname van het virus via de bek of na inademing. Grootste besmettingsbron in een kudde zijn de virus-dragers, dit zijn persisterend geïnfecteerde dragers die met het virus geboren worden. 

Het virus kan ook via de placenta worden overgedragen op het kalf. Als een moederdier, zonder antistoffen, in aanraking komt met het BVD virus zal ze enkele dagen virus in het bloed hebben, tot haar eigen afweersysteem het virus uitschakelt. Indien de infectie van het moederdier plaatsvindt gedurende de 2e-6e maand van de dracht, dan kan het gebeuren dat het kalf een virusdrager wordt. Het kalf heeft zelf nog geen afweersysteem en zal het virus als lichaamseigen beschouwen, ook na de geboorte. De afweerstoffen van het moederdier kunnen vanwege de placenta het kalf in de baarmoeder niet bereiken. Het kalf zal ook na de geboorte zelf geen antistoffen aanmaken. Vaak muteert het BVD-virus in de eerste twee levensjaren van de koe naar een zeer agressieve variant die het dodelijke 'mucosal disease' veroorzaakt.

kalf close up neus dierenkliniek benschop oudewater foto inger van der laan

Financiële schade

Het grootste deel van de schade door BVD wordt veroorzaakt door BVD-dragers op het bedrijf: sterfte, slechte groei en ontwikkeling en het vaker ziek zijn. Een kleiner deel wordt veroorzaakt door acute infecties, productiedaling, abortussen, slechtere vruchtbaarheid, groeivertraging, sterfte en behandelingskosten.
Dragers veroorzaken ook schade door het verspreiden van het virus naar koppelgenoten. Per gemiddeld aanwezige melkkoe varieert de schade op besmette bedrijven van 19 tot 129 euro per jaar.
Bron: GD Diergezondheid

Verschijnselen BVD

Het BVD-virus kent twee verschillende typen. In Nederland worden de meeste infecties veroorzaakt door BVD type 1. Een infectie met type 1 van een (drachtig) dier kan de volgende ziekteverschijnselen veroorzaken:

MD BVD

  • ontsteking van de slijmvliezen, waardoor diarree, koorts, speekselen, verminderde eetlust en/of uitdroging kunnen ontstaan. Soms ontstaan ook zweren in de bek als het virus kwaadaardig is gemuteerd tot ´Mucosal Disease´ zoals te zien op de foto rechts. Bron foto: DEPI
  • afsterven en verwerpen van de vrucht meestal in 4-6e maand van de dracht. Veelal vindt dit plaats wanneer het moederdier in de eerste twee maanden van de dracht wordt besmet. Het afsterven van de vrucht kan ook worden gevolgd door mummificatie of resorptie. Verwerpen door BVD kan echter gedurende de hele dracht optreden; 
  • de geboorte van een dragerkalf (een persistent met BVD-virus geïnfecteerd kalf). Dit gebeurt overwegend als de vrucht tussen dag 0 en 120 van de dracht wordt geïnfecteerd. Omdat infectie plaatsvindt op het moment dat het immuunapparaat van het kalf nog niet is ontwikkeld, wordt het BVD-virus als lichaamseigen beschouwd. Het kalf zal dan ook geen afweerstoffen produceren; 
  • geboorte van kalveren met waarneembare afwijkingen, zoals oog-, vacht- en hersenafwijkingen. Deze afwijkingen komen zowel voor bij dragers als niet-dragers; 
  • luchtwegproblemen bij kalveren en jongervee. BVD tast niet primair de long aan, maar door de immuniteitsverlagende eigenschappen kunnen andere infecties makkelijker toeslaan; 
  • productiedaling;
  • diarree in de opfok;
  • sterfte. 
Infecties met BVD type 2 komen in Nederland ook voor. Dit type is agressiever en veroorzaakt soms ook bloedingen, met name zwarte of bloederige diarree en bloedingen op de slijmvliezen. Besmette dieren sterven veelal binnen 48 uur.

Diagnose stellen

De diagnose BVD is op verschillende manieren te stellen en de gebruikte methode is deels afhankelijk van het bedrijfstype.
Indien een individueel dier verdacht wordt van een BVD infectie wordt bloed getapt en dit wordt onderzocht op aanwezigheid van het BVD virus. Een acuut ziek dier heeft tijdelijk BVD virus in het bloed. Een kalf of pink, welke bijvoorbeeld slecht wil groeien, die verdacht wordt van BVD dragerschap hebben ook virus in hun bloed.
Mocht bij een individueel dier BVD virus worden aangetoond of als BVD klachten de reden zijn om de koppel te onderzoeken dan zijn er verschillende opties. Allereerst moet in kaart worden gebracht welke dieren de virusdragers zijn. Als de dragers van het bedrijf zijn verwijderd wordt er nog regelmatig gemonitord om de BVD situatie definitief onder controle te krijgen. Er kunnen namelijk opnieuw BVD dragers geboren worden.
  • Tankmelkonderzoek - er kan zowel naar antistoffen als naar virus gezocht worden. De test voor virus is zeer gevoelig en kan één virusdrager uit een koppel van 300 koeien uit de tankmelk diagnosticeren.
  • Bloedonderzoek - er kan zowel naar antistoffen als naar virus gezocht worden. Omdat de antistoffen uit de biest de echte status van een kalf kunnen beinvloeden is virusonderzoek in het bloed pas mogelijk vanaf 1 maand leeftijd.
  • onderzoek op organen of oorbiopten - er is een speciale tang beschikbaar voor het oormerken van kalveren, waarbij het stukje oor dat wordt uitgedrukt bewaard blijft. Op dit stukje oor kan BVD-virus onderzoek gedaan worden, ook bij kalveren jonger dan 1 maand! Op gestorven dieren die zijn aangeboden voor sectie kan ook gezocht worden naar BVD virus in de organen.
button contactWelke aanpak het meest geschikt is voor uw bedrijf kunt u het beste met uw dierenarts overleggen, neem daarvoor contact op met de praktijk.